261 Licht in sloot

2008 135/135 cm., Olieverf op doek

Dit schilderij is nu vrijwel gereed. Ik ben er blij mee.

Op zekere dag, in mijn stoel gezeten, heb ik naar de mieren gekeken. Ik zag een heeel klein miertje, een jongen, heeel hard hollen over het oppervlak van een 'dikformaat', zo heet de gele betonsteen waar ons terras mee is bestraat. In dwaze patronen rende hij van afgrond naar afgrond. Hij doorkruiste  de canyons door zich er met ware doodsverachting gewoon in te storten om er doodleuk aan de overzijde weer uit te klauteren. Het kwam me echter voor dat de mier niet gesterkt werd door deze bijna doodervaringen, ook al herhaalde hij de oefening. Want telkens als hij weer herboren op een volgend plateau verscheen herhaalde hij zijn uitzinnige zoekende dooltocht. Zo belandde hij uiteindelijk gewoon weer op dikformaat 1, en daar herhaalde hij zijn chaotische figuurschetsen. 
Ik voelde op afstand zijn paniek. Met een heel dun stemmetje sprak ik hem moed in maar hij verstond geen miers, of hij hield zich doof. Op dat moment werd de eentonige leegte van de dikformaat-jungle doelbewust doorkruist door een veel grotere mier van een beter ras. Hij liet zien aan zijn rechte spoor dat er in zijn bestaan wel richting zit. En, ja hoe kan het ook anders, miertje en grote mier liepen elkaar tegen het lijf. 'Donderop' zei grote mier. 'piep'. Piepte mier vertwijfeld. Maar grote mier was al twee dikformaten verder. De zon scheen.
Gelukkig gaat het goed met Nederland. Er zijn al heel wat gouden plakken gewonnen.